Skip to content

Screening en diagnostiek dossier Persoonlijkheidsstoornissen

De diagnostiek van PS bij ouderen kan worden onderverdeeld in screening, descriptieve diagnostiek en structurele diagnostiek. Screening is bedoeld om ouderen met een PS tijdig te detecteren. Met screeningsinstrumenten kan men dus niet de diagnose stellen, maar als een screeningsinstrument aangeeft dat er een grote kans is, dat er bij iemand sprake is van een PS, is dit reden om aanvullend onderzoek te doen. De descriptieve diagnostiek onderzoekt en beschrijft symptomen en persoonlijkheidstrekken zoals deze naar voren komen in waarneembare fenomenen. Descriptieve diagnostiek leidt tot een diagnose PS, bijvoorbeeld volgens de DSM-5. De structurele diagnostiek richt zich op de niet direct waarneembare verschijnselen die aan het zichtbare gedrag ten grondslag liggen, zoals de persoonlijkheidsorganisatie.

Het diagnostisch proces begint meestal met screening, en vervolgens descriptieve diagnostiek. Soms kan worden overgegaan tot structurele diagnostiek naar de draagkracht, coping en een sterkte-zwakte analyse van een patiënt. Diagnostiek naar de persoonlijkheid bestaat bij voorkeur uit meerdere onderdelen: klinische observaties, diagnostische gesprekken, heteroanamnese, dossieronderzoek, semigestructureerde interviews, zelfrapportagevragenlijsten en/of informantvragenlijsten.

In zijn algemeenheid verdient het bij ouderen aanbeveling om gefaseerd te werk te gaan. Lang niet altijd is het nodig om uitgebreide testdiagnostiek te verrichten, of deze is niet haalbaar, bijvoorbeeld bij oude ouderen met veel lichamelijke of neurocognitieve problematiek. Er zijn op dit moment enkele vragenlijsten ontwikkeld en onderzocht voor ouderen.

Screening

Speciaal voor screening van PS op latere leeftijd is de Gerontologische Persoonlijkheidsstoornissen Schaal (GPS; van Alphen & Engelen, 2018) ontwikkeld. De GPS heeft 16 items. Een GPS-score hoger dan vier op één van de subschalen wijst op het vermoeden van persoonlijkheidspathologie en is een indicatie voor verder persoonlijkheidsonderzoek. De GPS kent een patiëntversie en een informantversie. Op basis van onderzoek wordt voor de (ambulante) GGz de patiëntversie van de GPS aangeraden. In de huisartspraktijk en klinische geriatrie adviseren we de informantversie van de GPS.

Verder kan ook de Hetero-Anamnestische Persoonlijkheidsvragenlijst (HAP; Barendse & Thissen, 2006) gebruikt worden voor screening op persoonlijkheidspathologie bij ouderen. De HAP is een gevalideerde en genormeerde informantvragenlijst met 62 vragen. Deze wordt ingevuld door iemand die de persoon goed kent en is daarmee ook geschikt wanneer zelfbeoordeling niet mogelijk is door bijvoorbeeld dementie. Zo kan de HAP premorbide persoonlijkheidskenmerken in kaart brengen. De GPS en HAP vullen elkaar aan. De GPS vormt een eerste screening op de aanwezigheid van een PS, terwijl de HAP al meer inzicht geeft op specifieke maladaptieve gedragspatronen.

Diagnostiek

Het verdient aanbeveling om in de diagnostiek van PS bij ouderen gefaseerd te werk te gaan om zo rekening te houden met de beperkte draagkracht van sommige ouderen.

Een alternatieve of aanvullende methode voor testdiagnostiek is de LEAD-standaard. De LEAD-standaard staat voor ‘Longitudinal, Expert and All Data’ en is het meest gebruikte model voor de integratie van informatie uit verschillende bronnen: klinisch observaties, diagnostische gesprekken, semigestructureerde interviews, zelfrapportagevragenlijsten, dossieronderzoek en informatie verstrekt door informanten. De LEAD-standaard hanteert verschillende longitudinale gegevens om vervolgens tot een consensusdiagnose te komen. De ‘LEAD-diagnoses’ zijn beter gebleken dan diagnoses die verkregen zijn middels semigestructureerde interviews. De LEAD-procedure is vooral zinvol bij hoogcomplexe (differentiaal)diagnostiek, bijvoorbeeld bij het vermoeden van zowel persoonlijkheidspathologie als autismespectrumstoornissen.

Middels testdiagnostiek kan op een gestandaardiseerde wijze diagnostische informatie verzameld worden. De testdiagnostische gegevens dienen altijd geïnterpreteerd te worden in de context van alle andere informatie, zoals (hetero-)anamnestische informatie, levensloopgegevens en dossiergegevens. Behalve persoonlijkheidstests zijn er interviews ontwikkeld om adaptieve en maladaptieve persoonlijkheidstrekken van een oudere met een (mogelijk) PS in kaart te brengen. Bij testdiagnostiek bij ouderen speelt altijd de keuze voor leeftijdsneutrale of leeftijdsspecifieke instrumenten. Beide benaderingen hebben voor- en nadelen. Voordeel van een leeftijdsneutraal instrument is dat deze zowel bij jongere als oudere patiënten gebruikt kan worden. Maar een leeftijdsneutraal instrument kan niet de specifieke manifestatie van symptomen op oudere leeftijd in kaart brengen. Een leeftijdsspecifiek instrument heeft als voordeel dat het rekening houdt met de unieke aspecten en uitingsvormen van PS bij ouderen. De eerder beschreven GPS en HAP zijn leeftijdsspecifieke instrumenten.

De NEO-PI-3 en de verkorte versie, de NEO-FFI-3 (Hoekstra & De Fruyt, 2014) zijn redelijk leeftijdsneutraal gebleken. Zij zijn gebaseerd op het Vijffactorenmodel en meten de vijf belangrijkste domeinen van de persoonlijkheid: Neuroticisme, Extraversie, Openheid, Altruïsme en Consciëntieusheid; de langere NEO-PI-3 meet ook per domein de onderliggende facetten. De Nederlandstalige Young Schema Questionnaire (YSQ;  Young & Brown, 1994) die vooral gebruikt wordt in het kader van schematherapie, is ook grotendeels leeftijdsneutraal gebleken.

Als men wil onderzoeken of er sprake is van een PS volgens de DSM-5 worden bij (jongere) volwassen vooral interviews gebruikt die zijn afgeleid van de DSM-criteria voor PS, maar het probleem bij ouderen is dat circa 70% van de criteria zijn gericht op de leefsituatie van jongere volwassenen. De Assessment van DSM Persoonlijkheidsstoornissen-IV (ADP-IV; Schotte & De Doncker, 1994), een Nederlandstalige zelfrapportage vragenlijst (94 items) lijkt beter bruikbaar bij ouderen, omdat de items meer leeftijdsneutraal zijn door te verwijzen naar kenmerken die aanwezig zijn in de vroege volwassenheid en zich uiten in verschillende persoonlijke en sociale situaties. Deze leeftijdsneutraliteit is ook wetenschappelijk bevestigd bij ouderen.

De DSM-5 kent ook een alternatief model voor PS, dat in deel III staat, en dus nog geen officieel model is, maar bedoeld voor verder onderzoek. Dit model definieert PS door beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren (criterium A) en door pathologische persoonlijkheidstrekken (criterium B). De ernst van beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren wordt onderverdeeld in het functioneren van het zelf (bestaand uit identiteit en zelfsturing) en het interpersoonlijk functioneren (bestaande uit empathie en intimiteit) en gescoord op een continuüm. Dit continuüm varieert van geen of minimale beperkingen (niveau 0) tot extreme beperkingen (niveau 4). Criterium B, dat van de pathologische persoonlijkheidstrekken bestaat uit vijf domeinen: negatieve affectiviteit, afstandelijkheid, antagonisme, ongeremdheid en psychoticisme. Deze domeinen zijn weer onderverdeeld in 25 trekfacetten.

Criterium A kan bij ouderen gemeten worden met de Severity Indices of Personality Problems-Short Form (SIPP-SF). De SIPP-SF is ontwikkeld vanuit de originele Severity Indices of Personality Problems van in totaal 118 items (SIPP-118; Verheul e.a., 2008) en heeft 60 items, die vijf domeinen van persoonlijkheidsfunctioneren meten: zelfcontrole, identiteitsintegratie, verantwoordelijkheid, relationele capaciteiten en sociale concordantie. Zelfcontrole en identiteitsintegratie sluiten aan bij het DSM-5 criterium van het zelf en de schalen over relationeel functioneren en sociale concordantie sluiten aan bij de interpersoonlijke dimensie van criterium A. Zeker bij ouderen, voor wie lange vragenlijsten lastig zijn maar wel een vragenlijst kunnen invullen, is de SIPP-SF goed bruikbaar.

De Personality Inventory for DSM-5 (PID-5; van der Heijden e.a., 2014) is ontwikkeld om de 5 pathologische trekken en de 25 facetten van DSM-5 criterium B te meten. Het is wel een lange test met 220 items. De meeste facetten zijn leeftijdsneutraal, 21 van de 25. Voordeel is verder dat er een informantversie en ook verkorte patiënt- en informantversies zijn, met 25 items. Er is nog onderzoek nodig om normen te ontwikkelen.