Skip to content

Screening en diagnostiek dossier Autismespectrumstoornissen

De diagnostiek van AS bij ouderen is doorgaans complex. De huidige DSM-5-criteria voor AS houden bijvoorbeeld geen rekening met de manifestatie op oudere leeftijd, zoals het deels compenseren van AS-gerelateerde beperkingen. Hierdoor zijn AS-symptomen op latere leeftijd moeilijker te signaleren. Het retrospectief vaststellen van AS-kenmerken in de kinderleeftijd is vaak moeilijk als een betrouwbare ontwikkelingsanamnese ontbreekt. Ook zijn er vooralsnog geen voor ouderen gevalideerde AS-screenings- en meetinstrumenten beschikbaar.

Een veelgebruikt screeningsinstrument dat voor volwassen met AS ontwikkeld is, is de Autisme Quotiënt (AQ-50; Baron-Cohen et al., 2001). De AQ is echter nog niet gevalideerd voor ouderen. Bovendien zijn er twijfels over de validiteit bij hoog-functionerende ouderen met AS, zeker wanneer er sprake is van psychiatrische comorbiditeit zoals depressies of persoonlijkheidsstoornissen.

Als screener voor AS bij ouderen is de Heteroanamnestische Persoonlijkheidsvragenlijst (Barendse en Thissen, 2006) aan te bevelen, die is ontwikkeld en gevalideerd voor ouderen. In recent onderzoek bleek dat onder ouderen in de ggz een diagnose AS samenhing met hogere scores op de HAP-schalen Sociaal afzijdig gedrag, Rigide gedrag en Grillig en impulsief gedrag.

Om de diagnose AS op latere leeftijd te kunnen stellen is het dringend aan te bevelen om hetero-anamnestische informatie te gebruiken, bij kinderen, broers/zussen, of partners. Een hetero-anamnese door een naastbetrokkene die betreffende persoon al zeker 10 jaar goed kent, is immers een zeer belangrijk diagnostisch middel. De differentiële diagnostiek met persoonlijkheidsstoornissen kan complex zijn. Het is dan aan te bevelen om meerdere personen te spreken die de persoon al tientallen jaren kennen vanuit meerdere perspectieven, bijvoorbeeld een broer of zus en een partner. Maar ook een vriend(in) of voormalige leidinggevende kan zinvolle informatie geven over het functioneren in meerdere levensdomeinen. Wanneer een oudere geen sociaal netwerk heeft, is het van belang om de overige informatie zorgvuldig te wegen. Als er aanhoudende diagnostische twijfel blijft, kan een werkhypothese AS geformuleerd worden. Deze dient regelmatig geëvalueerd te worden, maar het is raadzaam wel te starten met een behandeling.

Naast de heteroanamnese is een uitvoerige (ontwikkelings)anamnese bij de cliënt zelf belangrijk. Bij het vermoeden van AS is een gestructureerd interview voor AS aanbevolen zoals het Nederlands Interview ten Behoeve van Diagnostiek Autismespectrumstoornis bij Volwassenen (NIDA) (Vuijk, 2016), of het DSM-5 autisme interview (Spek, 2018). Ook deze interviews zijn voor ouderen nog niet gevalideerd.

In de diagnostiek naar AS worden ook onderzoeksinstrumenten toegepast om de AS kenmerken uit te lokken zodat deze geobserveerd en gescoord kunnen worden. Voor volwassenen wordt hiervoor wel de ADOS, module 4 (de Bildt, de Jonge, & Greaves-Lord, 2013), gebruikt. Dit instrument is (evenals andere observatie-instrumenten) echter niet gevalideerd voor ouderen.

Het is essentieel dat diagnostici veel ervaring hebben opgedaan met ouderen met AS om de kenmerken en het typisch denken bij mensen met AS te herkennen en uit te vragen.

Uit onderzoek is gebleken dat de andere manier van informatieverwerking, die kenmerkend is voor AS, niet gerelateerd is aan een bepaald profiel van presteren op neuropsychologische taken bij ouderen. Neuropsychologische en intelligentietesten kunnen wel ondersteunend zijn in de diagnostiek, omdat ze extra inzicht geven in iemand zijn sterktes en zwaktes.

Uit recent onderzoek is gebleken dat ouderen met AS niet sneller cognitief achteruitgaan in vergelijking met mensen zonder AS. Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de andere informatieverwerking op oudere leeftijd voor extra problemen zorgt. Indien er bij een oudere met AS sprake is van een duidelijke verandering of achteruitgang in cognitief functioneren, dient hier verder onderzoek naar verricht te worden. In de klinische praktijk zien we geregeld ouderen met AS die wel meer cognitieve problemen ervaren, zonder dat er sprake is van een onderliggend neurodegeneratieve aandoening. Dit kan dan samenhangen met het onvoldoende kunnen hanteren van stress bij veranderingen of overprikkeling. Een oudere cliënt met AS verklaarde dit zelf als volgt: “Mijn vrouw en ik dachten dat ik dement werd. Bij veranderingen, zoals het op bezoek zijn bij mijn dochter, of naar een vakantiehuisje gaan, wat eerder geen probleem was, ervaarde ik nu wel problemen. Mijn oriëntatie was niet goed, ik was mijn routine kwijt van eerst uitpakken, et cetera. Vroeger kon ik moeiteloos zulke overgangen hanteren, ik had restcapaciteit op basis van intellect en snelheid van denken. Nu ik 75 jaar ben, is alles trager geworden; ik kan niet meer compenseren en ik schiet in de stress. Dan bevries ik, moet ik eerst een uur op bed liggen en kan dan pas de verandering/overgang hanteren en mijn gewone ding doen.”

 

Ga naar

Behandeling

Overige informatie