Skip to content

Gevolgen en behandeling dossier Angststoornissen

Gevolgen voor de omgeving

Angstproblemen kunnen een grote invloed hebben op de omgeving. Zo kunnen ouderen die last hebben van agorafobie niet meer naar de winkel durven of zelfs hun huis niet meer uit willen. Ouderen met een gegeneraliseerde angststoornis kunnen zich overmatig gaan bezighouden met piekeren en zich zorgen maken over wat de toekomst allemaal zou kunnen brengen, waardoor ze geen plezier meer halen uit het hier en. Als omstander kunt u voortdurend bezig moeten zijn met het geruststellen van de oudere, terwijl het voelt alsof dat helemaal geen effect heeft. Als u constateert dat iemand zich bijvoorbeeld overmatig zorgen maakt, nauwelijks zijn/haar huis verlaat of vaak in paniek is, kunt u met de oudere proberen te praten. Als de angst beslag neemt op een groot gedeelte van zijn/haar leven is het verstandig om aan te raden om contact op te nemen met de huisarts.

De meeste patiënten met een angststoornis presenteren zich bij de huisarts, of op de spoedeisende eerste hulp (SEH) of een reguliere polikliniek in het algemeen ziekenhuis in verband met de bijbehorende lichamelijke klachten. Somatische symptomen zullen de arts er vaak toe brengen te zoeken naar een somatische aandoening, terwijl de psychische stoornis verder onbesproken blijft. Ook kan door comorbiditeit met depressie en middelenafhankelijkheid het zicht op angststoornissen bemoeilijkt worden. Wanneer somatische oorzaken niet waarschijnlijk zijn en er significante angstsymptomen bestaan, zal de diagnostiek van angststoornissen verder plaatsvinden op grond van de anamnese.

Classificatie vindt plaats volgens de DSM-5 of ICD-10. De volgende meetinstrumenten zijn beschikbaar om te gebruiken in de diagnostiek voor angststoornissen:

♦  Structured Clinical Interview voor de DSM-IV (SCID)
♦  Schedules for Clinical Assessment in Neuropsychiatry (SCAN 2.1)
♦  Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI)

Behandeling

Ouderen met angst kunnen in de eerste plaats terecht bij de huisarts of bij praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg in de huisartsenpraktijk (POH-GGZ), en daarnaast bij de generalistische basis GGZ. De diagnostiek van een angststoornis vindt trapsgewijs plaats: Wanneer op basis van anamnese en onderzoek blijkt dat sprake is van een vermoedelijke angststoornis vraagt de huisarts (of POH-GGZ) de aard, de ernst en het beloop van de klachten verder uit of verwijst deze hiertoe naar de generalistische basis GGZ.

 

Nadat de zorgverlener de diagnose heeft doorgesproken met de patiënt en desgewenst een naastbetrokkene, wordt er gezamenlijk besloten op basis van de hulpvraag hoe de behandeling en begeleiding eruit zal zien en welke interventies worden ingezet. Er wordt daarbij rekening gehouden met aard, ernst en beloop van de problematiek.

 

Basisinterventies

Binnen twee weken nadat een angststoornis is vastgesteld, wordt gestart met de basisinterventies, zowel in de huisartsenzorg (inclusief POH-GGZ) en de generalistische basis ggz als in de gespecialiseerde ggz. De basisinterventies worden voortgezet gedurende de behandeling.

De basisinterventies voor mensen met een angststoornis zijn:

→ Psycho-educatie: het verstrekken van informatie aan de patiënt en diens familie/omgeving over de aandoening, de prognose en de verschillende behandelmogelijkheden;

→ Activering en vermijding tegengaan: adviezen om actief te blijven en om zoveel mogelijk niet toe te geven aan de neiging om angstige situaties te vermijden. In geval van bijkomende depressie worden deze aangevuld met adviezen om de dag te structureren. Dit kan ook leefstijladviezen betreffen en het functioneren in werk, opleiding, school of sociale situaties;

→ Actief volgen:  het monitoren van het beloop van symptomen en klachten van de patiënt en het vinger aan de pols houden (watchful waiting), ook bij patiënten die geen behandeling willen. Eventueel zet de hulpverlener steunende en structurerende begeleiding in om de patiënt te motiveren voor psychotherapie of een andere behandelvorm.

Eerste-stap interventies

Toevoegen van eerste-stap interventies aan de basisinterventies vindt plaats op basis van gezamenlijke besluitvorming. In de keuze van eerste-stapinterventies wordt rekening gehouden met de aard en ernst van de angststoornis en de voorkeur van de patiënt. Eerste-stap interventies zijn geschikt ter ondersteuning van psychotherapeutische en farmacotherapeutische behandelinterventies.

Eerste-stapinterventies zijn:

- bibliotherapie;
- zelfmanagementstrategieën met begeleiding;
- e-interventies (zie ook Preventie);
- steunend-structurerende begeleiding;
- activerende begeleiding;
- psychosociale behandeling.

Ga naar: